Feeds:
Berichten
Reacties

Kande, 11 januari 2018

Tegenover mij zit agogo, grootmoeder. Ik weet niet hoe ik met haar moet praten. Zij spreekt chiTonga. Ik een piepklein mondje chiTumbuka. Mwana chona. Moto. Meer komt er niet. En af en toe een lachje wanneer we de chona horen spinnen.
Vijf minuten geleden was het hier pikdonker tot George een kaars kwam aansteken. Hier is Kande, in het huis van Simon, een van Sekani’s beste vrienden. We zitten zo ongeveer middenin de jungle. Er staat één huis en rond ons is niets anders dan groen. Op 20 meter van het huis staat er een kleine lemen long drop toilet (waar ik zojuist het gevecht met een gigantische giftige-of-niet-giftige-spin-of-een-ander-beest-in-de-pot won) en 10 meter naar de andere kant een houten hokje als badkamer. En verder: bomen als een tempel en struiken, bloemen en zelfs ananassen in de grond die samen voor een spel aan geuren zorgen.
Terwijl Sekani en Simon om groenten gaan, neem ik een douche. Een bucket shower zoals dat hier heet. Met een ketel warm water word ik rond zonsondergang naar het houten hokje met een open dak achter het huis gestuurd. Ik weet hoe dit gaat dus ik weet dat ik zonder gêne gretig mag spetteren en luid kan schrobben. Dit bad kan hevig concurreren met de douche bovenop Mulanje of de wasbeurt bij Eddie en Hayley in Nkhotakota ondertussen bijna 9 jaar geleden. Je vraagt je nu misschien af hoe een bad zo legendarisch kan zijn dat je er een vette alinea aan kunt wijden. Blijf je dit maar afvragen tot je zelf met je blote billen middenin de jungle een ketel warm water over je heen giet. Tot je jezelf ziet en voelt dampen onder de sterren. Tot je voelt hoe je al het zweet en vuil van een vermoeiende minibusrit afspoelt en ziet verdwijnen in de grond van het aardse paradijs.
En laat dit paradijs nu net het stuk grond zijn dat Sekani in de toekomst thuis wilt noemen. Veel verrassingen, veel vragen, maar op dit moment vooral veel verwondering.

Advertenties

Nkhata Bay, 6 januari 2018

Ik luister vanop het bed naar het gekraak van onze houten luiken. Voor mij: de aanmeerplaats van de Ilalaferry en water water water zo ver ik kan zien. Het is bijna 9 uur, maar ik ben al 4 uren wakker. Het feit dat ik eindelijk eens tijd vind om iets te schrijven betekent helaas niet veel goeds. Ik ben ziek. Geen desastreus tropisch monster, maar de gewone miserie, buiktoestanden dus. Sekani en ik hebben er allebei last van en dat is een behoorlijk gegeven als je weet dat ons kamertje slechts één deur, maar toch een wc heeft.
Ergens tussen 2 woorden viel ik in slaap. Het is al bijna middag en de kamer krijgt Zweedse kamertemperaturen… Van de koude douche van deze morgen valt niets meer te merken en de preventieve zonnecrème is al lang afgezweet. Het is de bedoeling dat ik Sekani straks ga opzoeken, want ziek of niet ziek, hij wilde zijn broer gaan helpen in de shop. Wanneer ik durf te overwegen om de veilige straal van 3 meter tot een wc te verlaten, dan ga ik ook die richting uit. En dan kookt Sekani rijst en bakt hij vis. Voor mij. En die vis is nét niet zelfgevangen. Met blote handen. Vanuit een eigenhandig uitgeholde boot. Wat een vent, nietwaar? Mijn superman.
De afgelopen dagen gingen snel en tegelijk heel traag. Kleine, losse avonturen (zoals de kennismaking met ‘Rudolph from Germany’, het trekken van Sekani’s kies door mister Mojo uit Mzimba, de aankoop van een echte Singernaaimachine voor de Kalambwegroep en een kleurrijk Duits-Australisch-Schots-Brits-Nederlands-Congolees-Belgisch-Malawisch oudejaar) werden makkelijk aaneengeregen door heel veel liefde en het gevoel van ein-de-lijk samen te zijn. Sekani is knettergek en dan nog eens op exact dezelfde manier als ikzelf. We lachen zo hard en zo veel dat we bijna een attractie worden en overal nieuwe vrienden maken die spontaan veel oo’s en aa’s laten horen terwijl ze ons met hartjes in de ogen aankijken als ze ons verhaal horen. Ik zie voortdurend dingen die ik niet wist en nog geen enkele verrassing liet me ook maar denken dat ik het anders had gewild. Kortom: dit is helemaal goed.

Ik schrijf vanop mijn roze wolk. Eindelijk. Ik zucht verlichting en verluchting in mijn hoofd.

De voorbije dagen, weken, maanden waren… weet je, ik kan hier eigenlijk geen woord voor verzinnen. Chaotisch, zwaar, uitdagend, moeilijk, frustrerend, lastig… Dit alles tegelijk en nog zoveel meer.
‘Hou je voeten op de grond.’
‘Je zit op een wolk. Je bent verliefd.’
‘Denk goed na.’
Mijn dames, mijn heren, ik stond met mijn voeten op de grond. Ik werd er elke dag opnieuw keihard in geduwd. Zo diep dat ik de afgelopen dagen amper met mijn lippen boven de natte aarde uitkwam.

Het ging zo:

Alles was te kort. Ik deed er te lang over om te zien hoe het werkelijk was en wat het moest worden. Wat een geluk dat volharding en geduld kunnen overlopen in één mens. Mijn Sekani. Smiley dus. Tijd werd onze eerste vijand. Daarna afstand. Toen het internet, centen, procedures en hét systeem.

Begin oktober vroeg Sekani zijn internationale reispas aan. ‘We still have time. No worries.’ ‘Neen,’ zei ik, ‘het moet nu.’ Geen Sekani onder de sloef (hoe zou dat ook kunnen?), maar die voeten op de grond na vele waarschuwingen van vrienden die mij voorliepen in ervaring.
De weg van Nkhata Bay naar Mzuzu kent voor Sekani geen geheimen meer. Ik denk dat hij elke barst en elk putje kent na de talloze keren dat hij in Mzuzu ging vragen of het paspoort-waar-hij-recht-op-had-omdat-hij-het-betaald-had al klaar was. Eindeloze excuses kreeg hij te horen tot ze zijn strot uitkwamen.
We weigerden om iets extra onder tafel te schuiven omdat we allebei niet wilden toegeven aan hét systeem. We bleven koppig wachten, want we dachten dat we het wel zouden winnen van dát systeem. Met volharding en principes. Helaas… De extra kwacha’s werden geschoven en nieuwe beloftes werden glimlachend gemaakt.
Sekani bleef op en af reizen en miste voor hem belangrijke dagen, afspraken en mensen. Opnieuw en opnieuw en opnieuw. Tot we het allebei kotskotsbeu waren. En net toen frustratie omsloeg in paniek was daar dat paspoort, voor ons bijna met gouden randje.

In afwachting van het paspoort was ik al weken aan het verzamelen. Een apart mapje in mijn pc werd ‘Visum Sekani’ gedoopt en elke vrije dag probeerde ik het te laten groeien met brieven en andere papieren rompslomp, exact volgens de instructies van de Noorse ambassade in Lilongwe. Want het zijn de Noren die moeten beslissen of Sekani het récht heeft om bij mij te zijn. Met de examens in het vooruitzicht zorgde ik ervoor dat alles zo goed als in orde was. Het was enkel nog wachten op het paspoort om een vlucht te kunnen vastleggen en om een reisverzekering af te sluiten. Wachten wachten en wachten. Ik zag de datum van mijn vertrek steeds dichterbij kruipen en dat was goed, want vier maanden wachten is veel te lang. Maar tegelijk vreesde ik ook voor het moment dat het simpelweg te laat was en dat we onze plannen om langer te kunnen samen zijn, om elkaar gewóón beter te leren kennen zoals verliefde mensen graag willen doen, moesten opbergen. Dan was het na januari opnieuw wachten tot in juli en augustus en hoe kunnen wij dingen uitvissen als ons zo weinig tijd gegund is?
Maar daar was dat paspoort dan. Vorige donderdag. Op de valreep. Vrijdag werd de vlucht geboekt en maandag zou mijn vader helpen met het regelen van de reisverzekering. Rust in zijn hoofd, rust in mijn hoofd. Het mooie mapje op mijn pc kon dan zonder zorgen leeg geprint worden en dan kon ik samen met Sekani op 27 december, de dag na mijn aankomst, alles netjes indienen.

Tot. Ik. Zaterdagochtend. Opnieuw. Op. Die. Website. Keek. Voor de duizendste keer. Ik had een bericht gestuurd om na te gaan of we konden langskomen op 27 december. Geen antwoord. Het kon volgens de wettelijke feestdagen op de website. Ik dacht dat ik de pagina uit het hoofd kende, maar toen zag ik daar dat bericht. De mededeling dat de laatste visumaanvragen op dinsdag 19 december werden verwerkt. De volgende applicaties konden pas vanaf 2 januari. Shit.
We schrijven 17 december. Ik in België en Sekani in Nkhata Bay, zo’n 400 km van de hoofdstad. Dit was kortsluiting. Ik probeerde wanhopig een aantal zaken in orde te brengen, zoals de betaling via de online visumaanvraag en de geprinte en ondertekende brieven van organisaties die Sekani’s aanvraag geloofwaardig en betrouwbaar moesten maken aangezien hij weinig, eigenlijk geen, zaken kon voorleggen die hem als ‘goede, trouwe burger’ konden aanduiden, zoals een vast arbeidscontract of het bewijs dat hij een huis bezit op Malawische bodem. Sekani maakt helaas geen deel uit van de luttele procentjes ‘gelukkige’ burgers die een computer en dan ook een e-mailadres hebben, een gespijsde bankrekening of een mooi huis dat officieel geregistreerd staat.
Ik wist niet waar ik kon beginnen, want ik moest alles tegelijk doen. En ik moest Sekani kunnen bereiken en dat is vooral moeilijk als het moet. De pieren werden via mijn neus uit de zijne gevraagd bij het onlineformulier. Ik moest soms raden, want het spijt mij dat ik de geboortedatum van zijn broer niet ken.
En toen was hij daar, net op tijd. Ik in paniek en hij rustig en zelfzeker. ‘OK, I will travel to Lilongwe. I will do it.’ Gelukkig is de reisweg naar Lilongwe lang genoeg om een plan te bedenken over hoe ik al die documenten bij hem kon krijgen. Zonder e-mailadres en zonder computerskills. Ik werkte de ziel uit mijn lijf om alles rond te krijgen en duimde, hoopte, bad (bijna) dat vake de reisverzekeringspapieren op maandag zo snel mogelijk in orde zou krijgen, want dat was het allerlaatste wat nog ontbrak.
En toen was daar het besef dat ik dit Sekani niet kon aandoen. Wat een onmogelijke opdracht… En dit na al het geloop om zijn paspoort. Dit ook na zijn rustige leventje aan Lake Malawi, zijn Malawi waar hij perfect gelukkig is en waar hij helemaal niet weg wilt. Ik waai binnen en verander alles. Schud alles door elkaar. Hoe kon ik van deze man vragen om nu ook halsoverkop naar de drukte van Lilongwe te vertrekken om iets te regelen wat voor hem tegen het onmogelijke aanleunde? Ik stuurde hem een sms en een voicebericht. Twee kanalen zouden toch genoeg moeten zijn om hem te bereiken? Ik zei hem niet te vertrekken naar Lilongwe. We zouden dan wel wachten tot 2 januari, desnoods konden we zijn vlucht verzetten. En ja, dat kon mij heel wat centen kosten, maar dit komt gewoon maar eventjes bij de rest. En samen zijn, gaat gewoon boven alles. Foert.
De rust keerde terug in mijn hoofd. Ik had mij verzoend met het idee dat we misschien niet samen zouden reizen naar België en dat we wellicht nog heel wat geregel te goed hadden in Lilongwe. Maar ach…
De volgende morgen: Sekani. Boos. In paniek. En Murphy overal aanwezig. Godverdomme. Geen enkel bericht had hem bereikt. Hij was halfweg, op weg naar Lilongwe. Hij was om 3h ’s morgens vertrokken om een klus te klaren die hij niet kon. Iets wat ik van hem gevraagd had. Ik voelde alles tegelijk, maar vooral extreem veel paniek. Nog een keer. Dit werd echt te veel paniek voor één weekend. Een uur in- en uitademen kostte het mij om enkele gedachten op een rijtje te krijgen. Meer tijd kon ik mezelf niet geven. De enige richting was Lilongwe en daarmee konden we nu toch beter iets doen? We beslisten om het toch te proberen, zonder verwijten en vooral zonder verwachtingen.

Sekani vond David, een neef met een Facebookaccount en wat computerskills. Op maandagochtend stuurde ik alles door. Genummerd, opgelijst, gemerkt met kleurtjes en kruisjes, met net voldoende commentaar en instructies om door de bomen het bos te zien. Ik ging laat slapen en stond vroeg op om het dossier nog te versterken met foto’s, artikels, extra brieven etc. Vake had intussen hemel en aarde bewogen om de verzekeringspapieren in orde te krijgen. Het dossier was compleet. 35 bladzijden verantwoording voor hét systeem. Bij elke klik en elk document dat vertrok, voelde ik verlossing. Meer. Kan. Ik. Niet. Doen. Ik had dit niet meer in handen. Nu moest ik vertrouwen vertrouwen vertrouwen.
Sekani en David printten alles in een internetcafé. Ze stelden het dossier samen en controleerden alles met mijn lijstje. Ze namen kopies en trokken pasfoto’s en ik wachtte. Het dossier was compleet. Ik wist zeker dat het compleet was en vooral met liefde, heel veel liefde en toewijding samengesteld. In elke lettertje zat wat hulp verstopt. Van mijn ouders, mijn oudste broer, enkele vrienden, Fiona een Ierse die wist hoeveel inspanning nodig was om dit rond te krijgen, zelfs de gemeente Avelgem had een aandeel in een pakje van enkele tientallen bladzijden als toegangsbewijs voor meer tijd samen.
Sekani en David vertrokken via een foute omweg langs de Noorse ambassade naar de officiële visumdienst die de aanvraag moest verwerken. En toen werd het stil. Zoals zo vaak moest ik wachten op een bericht, een stem, een teken van leven. Een hele middag werd een avond en een nacht.

Op dinsdagochtend, opnieuw erg vroeg want ik ben stilaan helemaal aangepast aan het ritme van de berichten van mijn vroege vogel, kreeg ik een eerste bericht. Opnieuw paniek. Aan het kantoor waar de visumaanvraag moest gebeuren werd alle moeite, alle hoop, alles waarmee we al weken en maanden bezig waren, de grond in geklopt. Een dame had de dag daarvoor achteloos Sekani’s dossier bekeken. En alles was mis. Verkeerd visum. Verkeerde documenten. En bovendien was hij te laat. De deadline voor de laatste visumaanvragen was voorbij. En weet je wat? Als je dit dossier nu indient, dan laat ik het toch liggen tot na de feestdagen… Sekani was alles moe. Hét systeem is kak.
Ik stond perplex. Ik was helemaal klaar om alles op te geven. En Sekani ook. Alles behalve wij. Het was echt genoeg. Waarom werd er zo tegen hem gelogen? Ik wist zéker dat alles juist was. Weken was ik bezig geweest met het samenstellen van de documenten. En overal werd er vermeld dat er wél nog tijd was. Nog exact een dag.
Ik belde in paniek naar huis. Ik was zo verschrikkelijk moe. Het voelde zo absurd onrechtvaardig. Wie heeft het recht om te bepalen dat wij zo veel bergen moeten verzetten om gewoon wat tijd te kopen om samen uit te zoeken waar we naartoe willen?
En toen die laatste strohalm. Ik belde op aanraden van moeke naar de Noorse ambassade. Ik legde wanhopig uit wat er aan de hand was. Ik kreeg het met moeite op een rijtje. Ik wist dat dit niet de voorgeschreven weg was en was opnieuw klaar voor ontgoocheling. Maar er werd geluisterd. Het werd stil aan de andere kant van de lijn. ‘Heb je vijf minuutjes? Wacht je eventjes aan de lijn?’ Natuurlijk wachtte ik. Moedeloos. ‘Hallo?’
De komende uren waren warrig. Op hetzelfde moment praatte moeke op een van de medewerkers van de ambassade in. Vol overgave en zonder dat ik dat wist. Ze bracht hetzelfde verhaal, wellicht op een meer gestructureerde manier dan ikzelf, want ik was moegevochten en eindeloos ontgoocheld. Als collega’s hadden de dames overlegd. Dat waren mijn 5 minuten stilte aan de lijn.
‘Hij moet hierheen komen. Nu.’
Sekani bleek al opgebeld te zijn. Moeke had hem (voor het eerst) aan de telefoon gehad en had hem met spoed naar de Noorse ambassade gestuurd.
Sekani werd ontvangen en alle papieren werden gecontroleerd. Een uurtje later kreeg ik het volgende bericht: ‘Honey, I have very very good news. They have stamped it, they gave me the visa.’ Wat normaal gezien weken tijd vraagt, lukte nu op enkele uren.
Sekani werd begripvol en met respect ontvangen op de Noorse ambassade. Ze luisterden naar zijn verhaal, twijfelden niet aan zijn oprechtheid en fiksten in elke minuten de stempel die voor ons drie maanden tijd kocht. Alle shitzooi van de voorbije weken werd weggestempeld dankzij wat toeval – want ook voor de Noorse ambassade zal het redelijk bijzonder geweest zijn om een moeder en dochter met hetzelfde wanhopige verhaal aan de lijn te krijgen – en wat goodwill en mededogen van een Noorse en een Malawische vrouw.

Nog 5 dagen van 127. Ik tel af. Ik kan niet meer wachten. Mijn wachtreserve, mijn wachtpunten zijn volledig uitgeput. Er is nog net genoeg om deze laatste dagen te overbruggen.
Ik weet dat er 4 maanden komen en ik ben ongelooflijk nieuwsgierig en zeker van mijn stuk. Dus nu zit ik op mijn roze wolk. Eindelijk.

En dáárom  krijgt Noorwegen mijn 12 punten tijdens het Eurosongfestival. Ook met een draak van een nummer.

Op dinsdag 31 oktober 2017 organiseert Dolf van café De Volle Maan in Avelgem een nieuwe editie van het intussen befaamde Afrikaans Huis. Dit jaar kan je een plaatje aanvragen ten voordele van de Kalambwe Disability Group in Nkhata Bay.

Malawi, een landje in een omaKalambwe - kopierming tussen Tanzania, Zambia en Mozambique is voor velen een blinde vlek op de kaart.
In het kleine Zuid-Oost-Afrikaanse land worden mensen met een mentale of fysieke beperking op alle mogelijke vlakken gediscrimineerd. Ze geraken moeilijk aan een job, kunnen geen huis huren, kunnen geen bankrekening openen enz. Ze worden vaak uitgesloten en als paria’s behandeld. Een bijkomende uitdaging is het lokale bijgeloof dat ervoor zorgt dat sommige van deze personen het extra hard te verduren krijgen.
Zo zijn mensen met albinisme niet alleen het mikpunt van spot en pesterijen, ze worden ook opgejaagd, verminkt en soms vermoord omdat er geloofd wordt dat hun lichaam geneeskundige krachten bezit.
Mensen met epilepsie worden als behekst beschouwd en worden vaak gemeden en verstoten. Door hun aandoening (en het gebrek aan verzorging en medicatie) zetten ze na elke aanval fysiek en mentaal een stap achteruit. Ze worden als beperkt en dus minderwaardig bezien.
In Malawi wordt niet iedereen gevaccineerd tegen polio. Terwijl het virus in de westerse wereld al lang uitgeroeid is, zijn er in het Oost-Afrikaanse land nog heel wat jonge mensen met misvormde en kromgetrokken ledematen.
Dit zijn slechts drie mogelijke verhalen die het leven van mensen als Doro, Weston, Steward, Benson, Daniel en Rose erg moeilijk maken.

In augustus 2016 ontmoette ik heel toevallig, bijna per ongeluk zelfs, Sekani Mbewe. Hij vertelde me over deze mensen en de zelfhulpgroep die hij voor hen had opgericht in juli 2015. Ze zijn van alle leeftijden: blinde en doofstomme mensen, personen met amputaties, autisme, epilepsie, verlammingen, mentale beperkingen, voormalige poliopatiënten, albino’s enz. kregen een evenwaardige stem in een democratische praatgroep met een eigen voorzitter, secretaris en schatbewaarder.
Het zoeken en bevestigen van hun eigenwaarde, het strijden om bestaansrecht en het erkennen van beperkingen (maar vooral mogelijkheden) staat centraal. De groepsleden werkten samen met Sekani een eigen systeem van sociale zekerheid uit dat voor de volle 100 % in deze hoofddoelstelling past: het idee dat ook zij, personen met een beperking, iets kunnen bereiken en als volwaardige mensen kunnen worden beschouwd. Het is daarom ook de bedoeling dat de groep zélf fondsen verwerft met activiteiten als het maken van juwelen en andere souvenirs om die zinvol in te zetten door elkaar te ondersteunen bij medische zorgen, het betalen van schoolgeld of om eten of kleren te kopen.
Dit idee is uniek in Malawi en is volledig zelfsturend zonder overheidssteun of hulp van een ngo. De steun die de Kalambwegroep van buitenaf krijgt vanuit initiatieven als Het Afrikaans Huis, dient vooral om een aantal praktische hindernissen te overwinnen. Op dit moment is dit vooral het bouwen van een geschikte plaats om de wekelijkse bijeenkomsten voor meer dan 80 leden te organiseren.

De Kalambwe Disability Group dankt u alvast voor uw steun, geen druppel op een hete plaat, maar een rimpel die het verschil maakt voor een heel aantal lieve en waardevolle mensen in Nkhata Bay!

Dag 25. Volledig losgemaakt van de grond kijk ik achterom. Bijna vier weken lang heb ik mijn ervaringen, mijn dromen, mijn favoriete plekjes en mensen kunnen delen met een groep jongeren die elk op hun ongelooflijk unieke, mooie manier wisten om te gaan met beelden, geuren en kleuren. Ik weet hoe hard dit kan blijven kleven en ontdekken dat ik er als kleine sterveling in geslaagd ben om negen zulke prachtige mensen zo diep mee te nemen maakt mij eigenlijk wel trots. Alles wat ik wilde en waar ik zo van geniet, is gelukt: ik wéét dat dit ook voor hen niet zal voorbijgaan.
Mulanje was heftig. Samen die berg trotseren boetseert een groep. Ik beloofde iets wat nog heftiger zou zijn in het noorden van Malawi. Door kennis te maken met twee projecten (Keep Girls Safe in Rumphi en Kalambwe Disability in Nkhata Bay) wilde ik tonen hoe hard een leven hier kan zijn, maar ik wilde vooral laten zien hoe ondernemend, positief en zorgzaam mensen kunnen zijn. Ik wilde tonen hoe mensen hier voor mensen zorgen (zomaar, omdat dat het goede is) en hoe een kleine rimpel het verschil kan maken voor zoveel andere levens. Ik hoop dat het vooral die verhalen zijn die mijn groep meeneemt en dat zij op deze manier kunnen verder rimpelen in een soms te platte wereld.
Nog steeds grijpt het mij naar de keel. Zelfs na al die keren. Ik voel zoveel liefde en zoveel tegengewicht voor onze koude handen en hoofden en ik wenste dat iedereen dit kon meemaken. Het verandert een mens, helemaal vanbinnenuit en de gloed die je daarna afgeeft, gaat niet over. Beschuldig mij gerust van pathetiek, maar kom eerst kijken voor je oordeelt.
Wat ik niet verwacht had, was de hevigheid van een ander verhaal dat zichzelf al stilletjes aan het schrijven was. De redenen om naar Malawi te blijven terugkeren worden steeds hardnekkiger. Deze keer kwam het in de vorm van een lieve, mooie man.
Ik weet niet waar dit naartoe gaat en ik dwing mijn voeten op de grond. Maar het voelt op dit moment gewoon heel erg juist en ongelooflijk goed.
Wordt vervolgd.

Mount Mulanje, 15 augustus 2017

Dag 16. Warme wollen sokken boven mijn comfy pants en daarboven af te pellen laagjes, het ene al modebewuster dan het andere. Matt bakt onze biefstukjes op een houtvuur en wij zitten bil tegen bil – dat is veel warmer en vooral veel gezelliger – te wachten tot we een wolkje warmte kunnen opvangen. Ons huis-voor-één-nacht is de CCAP-hut op Mount Mulanje, het beest waar ik mezelf nu al voor een tweede keer opgehesen heb. Het kostte ons gisteren 5h (min pauzes) om de berg te temmen tot aan Chambe hut. Wat mezelf verraste: ik genóót!
Wie Mulanje al bedwong, weet dat de eerste dag het meest pijnlijk is: the only way is up. We startten aan de voet en keken op naar Mulanje’s bergbroertje. Een tweetal uren later hadden we zicht op de kale plek in zijn kruin. We klommen boven de wolken en boven de bomen en eindigden in Chambe hut waar we worstjes aten, sterren telden en wensen deden.
Dag 2 op de berg was bedoeld om nog meer te genieten, maar de overijverige zon, het gebrek aan stromend water om onze drinkfles bij te vullen en een karig rantsoen maakten het ons toch iets lastiger… Maar opnieuw: ik genóót! In het gezelschap van enkele topmadammen en een topkerel uit de groep, geflankeerd door onze lokale helden Samson, John en Lewis.

Intussen zit ik verstopt in mijn slaapzak. We ademen net geen koude wolkjes, wat gisteren wel het geval was. Straks snoer ik alles goed dicht en maak ik van mijn lijf een chauffageketeltje. Nele en ik staan om 5h op om met Lewis naar de rand van de berg te wandelen voor een magnifiek uitzicht op de Zuid-Malawische skyline. Twee uren later beginnen we vanuit de hut aan de afdaling. Arme knieën, arme kuiten, arme bovenbenen. Arm lijf tout court. De Likhubula pools aan de voet van Mulanje, hoe dodelijk koud ze ook mogen zijn, lonken nu al verleidelijk.

Het is 20h30 en ik stop mezelf helemaal in. Ik rits alles toe wat te ritsen valt en snoer alles vast wat te snoeren valt. Inclusief mijn gedachten. Naar het schijnt werkt dit het best in je blootje, maar ik koos toch voor de optie trui-met-kap tijdens deze zedige KrisKrasreis. Slaapwel!

Dag 12. Befaamd en bevreesd onder menig reisbegeleider. Iedereen wordt te moe om 24 op 24 hard zijn best te doen om sympathiek over te komen.
In ons geval kruipt het vroeg opstaan wat in de kleren. Dit in combinatie met wat self fullfilling prophecy zorgt voor een officiële dipdag. Ik spreek vooral voor mezelf, want ik ben moe, van tijd tot tijd een beetje gestrest en ik heb pijn in mijn rug. Maar geflankeerd door Margot, Kelly en Nele, drie zonnestraaltjes van deelnemers en een hoestend aapje, laat ik mezelf toe om te genieten van het uitzicht aan de Luangwa rivier. Als we dan een beetje grumpy zijn, dan het liefst hier.

We hebben er al anderhalve dag safari op zitten. En natuurlijk – lucky bastards als we zijn – hadden we direct boerengeluk: twee luipaarden en drie leeuwen (en zoveel meer) tijdens de eerste game drive. En ook nummer twee was een schot in de roos met meer luipaarden, een leeuw (in het gezelschap van een half leeggegeten olifant) en hyena’s bij de vleet. Maar hét moment kwam er toen onze jeep begon te proesten en pruttelen. Je kent het wel: zo van die zielige kuchjes die aangeven dat de batterij leeg is. Heel frustrerend thuis tussen Vlaamse velden, bijzonder spannend in de nachtelijke Afrikaanse savanne, habitat van menig wild gespuis zijnde de eerdergenoemde leeuw en luipaard. Onze gids Ephraim, klein als een duimpje, maar een knaller met twinkeloogjes en vampierentandjes, bleef moedig proberen. Helaas. We zaten vast. Brieuc en Hendrik namen de moedige beslissing om te duwen. Een halve minuut later begonnen we opnieuw te bollen. En nog steeds, ook op dit eigenste moment, houden we het niet van het lachen als we denken aan Brieuc, die zwart als roet van achter de uitlaat tevoorschijn kwam. Hij sprak de legendarische woorden ‘Ik stond voor dienen uitlaat!’ en schopte het voor de tweede maal deze reis tot held van de dag!

Diarree in de bosjes, olifanten op speed, gezichtsmaskertjes in de brousse, de kunst om te kunnen zien of iets/iemand al dan niet al wandelend kaka deed enz. Van mij mag het op deze manier elke dag dag 12 zijn!