Feeds:
Berichten
Reacties

Kafukule, 9 april 2017

Zeven uur ‘s morgens in Kafukule. Ik ben al een goed halfuur wakker en staar door het muskietennet naar het plafond. Rondom mij begint alles te leven. Tijd om op te staan.
Na de knoert van een writer’s block gisterenavond wil ik alle verhalen goed maken. Met het lijstje van Karl moet dit wel lukken. Dit dringt zich gewoon op, want als ik er nu niet aan begin, dan lopen mijn gedachten over en verspil ik de herinneringen die ik wil maken.

Ik eindigde in Zambia bij onze laatste safari. Ik katapulteer ons opnieuw dit land binnen en laat ons landen in Lilongwe.
Isolde werd ziek. Buikperikelen, weet je wel. Al wie mij ooit vergezelde, weet dat dit een lot is dat je gewillig moet ondergaan en weet dat schroom verloren energie is als het gaat over toiletbezoekjes en het resultaat daarvan. Dit betekent dat ik me als een échte Verbeke helemaal kan uitleven met kakapipimopjes. Isolde had eventjes genoeg van onze plagerijen en ons jong veulen dreigde ermee een lepel rijst mijn richting uit te schieten. ‘Uw rijst is besmet! Uw rijst is besmet!’ Ik wierp mij als een leeuwin over mijn bord om mijn chili con carne af te schermen. Ik was bereid om op de vuist te gaan om mijn avondmaal én mijn darmen te beschermen.
Een dag later reisden we verder naar Mzuzu. Voor de bus werd een lijn gevormd: de mensen met een ticketje en de mensen zonder ticketje. Voor het eerst in al die jaren zag ik deze geordende chaos. Vroeger kroop de meest gemene duwer het eerst de bus op, met of zonder ticket. Ik maakte me breed en was al helemaal klaar om deze strijd aan te gaan, maar we hadden geen ticket en waren dus gedoemd om als laatste te vechten voor een zitplaats. We belandden met the cool kids in the back en trakteerden Wonderful en de andere hipsters op de ground nuts die Karl kocht tijdens de terugrit vanuit Zambia. We werden niet alleen gezegend met fijne buren en deze comfortabele plaatsen, ook de rit zelf verliep uitzonderlijk vlot en om 5 uur (voor het donker!) bereikten we Mzuzu.

In Joy’s Place werden we hartelijk ontvangen door het Finse fenomeen Kaneli. De waterleiding was volledig afgesloten na een power cut en Karl en ik konden dus niet anders dan kiezen voor gin-tonic (en Isolde voor een fanta pineapple). Of eerlijker: gin-tonicS. We hingen aan de toog en inspireerden Kaneli (ook reisbegeleider in zuidelijk Afrika) tot een Finse versie van mijn KrisKrasreis.

We werden de volgende ochtend vroeg opgepikt door Richard die ons zou meenemen naar Rumphi om enkele projecten van Kawaza (nu: Hope for relief) te bezoeken. We stopten eerst aan het weeshuis waar we een pauselijk welkom kregen. Dansend en zingend werden we binnengeloodst in het lokaaltje waar de weeskinderen les krijgen. Door tientallen, misschien wel een honderdtal paar ogen werden we aangestaard. Daarna nam Richard ons mee naar dezelfde school die Katelien en ik vorig jaar bezocht hebben. De school was net afgelopen en Victoria toonde de meisjes en enkele moeders van de Mothers group hoe ze zelf de maandverbanden konden maken die Victoria vroeger allemaal zelf naaide.

De batterij van mijn laptop laat mij in de steek. Hier sluit ik noodgedwongen af. Geen probleem (suzgo yayi!), want ik geraak naar mijn gevoel opnieuw niet op dreef. Wordt vervolgd!

Advertenties

Kafukule, 8 april 2017

Ik voel me vreemd. Een beetje triest zelfs. Terwijl we hier pas gisteren zijn aangekomen, zit ik al met mijn hoofd buiten Kafukule, soms zelfs in het vliegtuig. Hoog in de wolken, toch te hard op de grond. Dit is (zoals altijd) te kort en ik voel nu al dat naar huis gaan te lastig zal zijn. Aan het thuisfront: wees gewaarschuwd.

Opnieuw heb ik te veel te vertellen. Het is onmogelijk om alles in een bericht te persen en tegelijk is het jammer dat zoveel momenten met de tijd gewoon verdampen als ik ze niet vastzet. Als een sneltrein moet ik door de voorbije dagen razen.
De safari eindigde in crescendo met een extra game drive. Nog nooit hoopte ik zo hard dat we géén luipaard zouden spotten: ‘If you do not see a leopard tonight, you’ll get a free safari.’ Herbert hield zijn woord. De luipaard bleef verdoken, maar de leeuwen lieten zich ongegeneerd begluren en fotograferen, want ook die hadden we nog te goed. De safari’s waren geen gigantisch succes (wie een lijstje wilde afvinken, werd ontgoocheld), maar de spanning van de belofte achter elke bush en de ongereptheid van de omgeving maken het spotten van de spektakelbeesten voor mij eigenlijk minder belangrijk.

Hier val ik stil. Ik ben afgeleid door alles rondom en binnenin mij. Ik wil gevat, scherp of grappig zijn, maar het lukt niet. Ik wil zoveel vertellen, maar ik struikel.
Het is avond in Kafukule en iedereen druppelt zijn bed binnen. Karl en ik blijven achter in de zithoek met zicht op mister Ziba zijn glimlachend portret. Onder Ziba’s toeziende oog vraag ik om te brainstormen over de voorbije dagen. Karl raakt exact aan wat ik wil vertellen: niet de geplaveide weg, maar het gruis dat tussen de stenen ligt. Ik heb een lijstje klaar. Morgen maak ik het af en schrijf ik alles uit. Nu zoek ik in het toilet het gezelschap op van één krekel, één spin en één op zijn rug gerolde kever. Ik ben hard en laat het arme beestje achter. Karl poetst zijn tanden onder de sterren en we zoeken naar een manier om de regenboogmaan vast te leggen met de juiste sluitertijd (want die is erg belangrijk, nietwaar, Isolde?). Deze poging mislukt en we besluiten om toch voor de mentale foto te gaan. Misschien zet ik vannacht mijn wekker om nog meer sterren te zien. En dan red ik de op zijn rug gerolde kever!

Het is bijna absurd hoe hevig ik mezelf kan weg katapulteren. Enkele dagen geleden zat ik nog met mijn hoofd in de grond te stressen. Ergens was er wel een besef van de aanloop naar een reis, maar de mentale voorbereidingen, het plannen verlangen dromen, kreeg ik niet in mijn lijf. Het contrast tussen de metronoom van een week – stevig doortikkend en opdringerig duwend tot een volgende dag – en dit uitzicht, deze zon, deze mensen is enorm.
En hier zit ik dan opnieuw. Aan de oevers van de Luangwa rivier, honderd meter brede onthaasting. De zon schijnt verticaal en ik verstop me onder bomen die verder krullen over de rivier. Vijf nijlpaarden zien rollend en knorrend toe hoe ik dit vanop hun oever probeer te schilderen op een computerscherm. Ik kan dit onmogelijk vangen.

Karl, Isolde en ik strandden hier gisteren na een heenreis zonder verrassingen: een vlotte vlucht via Ethiopië naar Malawi, een knuffel van Rashid (nog steeds de beste taxichauffeur van de hele wereld), een stevige regenbui bij een korte nacht Lilongwe en een relatief comfortabele trip richting Croc Valley in South Luangwa.
Ons bezoek werd goed ingezet. Ik beloofde Isolde olifanten. En Isolde kreeg olifanten: na twintig minuten oo’s en aa’s tijdens een inspectie van onze kamers hoorde ik tijdens een noodzakelijk toiletbezoekje deze enthousiaste kreten: ‘Aline Aline Aline! Olifanten!’ Uiteraard. ‘Ja ja, dat zal wel.’ Ik waste rustig mijn handen. ‘Maar écht!’ Ik twijfelde. Dit klonk toch verdacht enthousiast… Ik ging kijken en Isolde en Karl stonden op en neer te huppen met een camera in de hand. Vijf olifanten passeerden rustig voor onze chalet. Ze leken op bestelling geleverd…
Isolde vroeg en kreeg een eigen chaletje: drie bedden, een badkamer en een keukentje, inclusief balkon met zicht op deze beloftevolle savanne en lagune. Na een brownie en een glaasje rode wijn (dit blijft toch een verrukkelijke combinatie!) werden we onder begeleiding van onze privénachtwakers naar de huisjes gebracht. We schuifelden met een zaklamp vooruit tussen wat een mininijlpaardinvasie leek: links, rechts, voor, achter, doken hun gigantische silhouetten op. Waw! Maar wat overdag tropisch en avontuurlijk lijkt, wordt ‘s nachts te vreemd en angstaanjagend. Na een klein halfuurtje zag ik het scherm van mijn telefoon oplichten: Isolde. Oei. Ik hoorde wat vermoedelijke paniek, maar verder niets. Vijf minuten later een bericht: ik kom bij jullie slapen. Na een kortstondig overlegmoment vertrokken Karl en ik richting Isolde in pyjama, gewapend met een zaklamp en een wakawaka powerbank. Missie Red Isolde Van De Nijlpaarden. Ik geef toe, dit klinkt heldhaftiger dan het was. En daar stond Isolde, paniekerig op haar balkon: ‘Ik kom naar jullie! Ik kom naar jullie!’ Gevolgd door een spurtje, gepakt en gezakt met een rugzak en een pyjama. Ik riep nog: ‘Niet lopen, Isolde!’ Maar dit kwam vermoedelijk niet aan.
Drie kwartier later in de kamer. Isolde en ik liggen in ons hemelbed en Karl heeft zich vermoedelijk al eventjes afgesloten voor al het vrouwelijk gekwetter. ‘Isolde? Ik ga nu efkes iets héél serieus zeggen… Je mag niet meer lopen als ik dat zeg.’ Ze verdedigt zichzelf met haar vlucht- en vechtinstinct. Ik wijs haar op de zekerheid van een verloren strijd. Het mamaatje en de reisbegeleider in mezelf panikeren. Ikzelf schaterlach en hoop vurig op meer zulke momenten.

Bijna geruisloos passeert het: een bericht dat ik online bij De Standaard zag knipperen. Intussen werd het overgenomen op deredactie.be en na de zwemtraining die hier ergens als pauze tussen de alinea’s is geslopen, kreeg het nieuws ook wat aandacht op één. Het kopt in elk geval niet tussen de meest gelezen artikels.

‘Pas automatisch Belgische nationaliteit als beide ouders Belg zijn’.

Ik fronste toen ik het las. Ik knipperde. Las het nog eens. En nog eens. Tot ik zeker wist dat het er stond. We lezen dit en denken ‘zo zo’ en we scrollen verder.
Ik snap het niet. Waarom laten we dit zo achteloos passeren? Léés wat er staat!
Een kamerlid dient een voorstel in om kinderen wiens ouders niet allebei Belg zijn slechts ‘voorwaardelijk’ in de palm van ons Belgenland te laten schrijven. Tussen hun 18de en 28ste kunnen ze dan een burgerschapstest afleggen om te bewijzen dat ze het ‘verdienen’ om Belg genoemd te worden. Maar: er zijn uitzonderingen waardoor je een vrijstelling kunt krijgen. De Belgische staat schenkt je in bepaalde gevallen genade. Dan mag je na een papieren strijd tóch zonder test toetreden tot het clubje der Belgen. Op de tweede rij weliswaar. Ziet niet iedereen hoe vreselijk fout dit is?

Idiote ideeën zullen er altijd zijn en ik blijf nog steeds vurig hopen dat dergelijke zaken nooit (meer) een opening zullen vinden en effectief in onze maatschappij zullen worden neergepoot. Maar wat ik niet snap, wat mij echt zorgen baart, is dat dit niet op meer weerstand stuit. Als we dergelijke onzin horen, waarom komen we dan niet massaal in opstand? Waarom veroorzaakt dit geen kleine (liefst een grote) politieke rel? Zoals ik eerder aanhaalde, dit bericht staat zelfs niet eens tussen het meest gelezen nieuws. Laat het ons echt zo koud?
Dit zijn voorspellingen voor barre tijden. We negeren geen smeulend vuur, maar een smeulend zuur. Het bijt gaten in onze redelijkheid.

En hier zijn we weer: het heeft geen zin.
Het heeft wél zin, tenminste als iedereen reageert op zulke zaken die je tegen en vooral ín de borst stuiten.
Het afgelopen weekend vonkte het af en toe vanbinnen tijdens de stream of consciousness van Marc Colpaert voor de nieuwe KrisKrasreisbegeleiders toen de termen voice en vote terecht als verschillend, maar dooreengehaspeld werden aangehaald. Hoe kan het dat we in een maatschappij waar neoliberalisme het nieuwe volksgeloof is, waar zelfontplooiing boven alles staat en waar alle woorden en elke toon onder het mum van freedom of speech getolereerd worden, het populisme en kuddedenken zegevieren? We zijn o-zo-vrij in onze gedachten, maar hebben nog nooit zo hard gezwegen over faliekante onrechtvaardigheden. We hebben onszelf monddood gemaakt en onze weerstand beknot. We verdragen dat racisme, discriminatie, het creëren van tweederangsburgers, het negeren en zelfs bespotten van mensen in nood enz. als mainstream worden aanvaard. Dit is schijnvrijheid, want we houden onze kaken stevig op elkaar geklemd gesust door… wat?

En ondertussen… in de hoekjes van de online nieuwsberichten staat er te lezen dat de grootste humanitaire crisis sedert 1945 de hoorn van Afrika bedreigt. 20 miljoen mensen lijden honger. De hoorn van Afrika. Ver van mijn bed.
Sedert 1945, mensen. Weten we dan echt van niets?

Vier jaar later

Hoewel ik to-taal geen inspiratie heb, is er wel de behoefte om iets te schrijven. Ik wil een link levendig houden, zeker omdat het tien jaar geleden is dat ik met mijn ogen dicht en mijn hart open in een avontuur sprong.
Hoe kon ik toen vermoeden dat ik zo hard verbonden zou blijven?

Ik ben altijd en overal ontheemd. Nooit helemaal heel. Mijn tropenkoorts die nooit zal overgaan.
Verwijt mij pathetiek en drammerigheid. Echt. Ik vind het zelf ook flauw hoe ik dit nergens en nooit kan loslaten. En ik hoor mezelf ook heus te veel dezelfde dingen vertellen. Ik echo vooral in mijn eigen hoofd. Dan hamer ik in gedachten: zwijg! Maar niemand kan me tonen hoe ik die honderden verhalen kan inslikken. En vooral: wie leert me om met die verhalen ook de heimwee weg te duwen?

Ziba stierf vier jaar geleden in een auto-ongeluk. Omdat hij het meest vaste fundament is van wat ik hierboven met de nodige drama omschrijf, verdient hij een jaarlijks hoopje woorden. En ook al zijn ze niet altijd even gevleugeld of spannend, ze zijn helemaal voor hem, geweekt en gekweekt in de diepste dankbaarheid om het stillen van een honger naar warmte, (uit)waaien en weten.
Vandaag omarm ik dus mijn saudade (een klein weetje: ‘saudade’ is een van de meest onvertaalbare woorden ter wereld. Samen met ons ‘gezellig’ of het hierboven gebruikte ‘uitwaaien’. Hoe schoon en boeiend is dat niet?) en in mijn omarming zit mister Ziba liefdevol gekneld tussen oude herinneringen en verse verwachtingen.

Titelloos wegens sprakeloos 2

Alles ontploft. De sociale en minder sociale media. De wereld, de mensen, mijn kop.
Ik probeer te vechten en niets te posten, maar mijn handen eindigen toch weer op het klavier. Deze keer niet met dansende vingers, maar met harde, klamme en haperende slagen. Shit.

Je hebt niets aan mijn idealistische gekraai of politiek-utopisch huppeldepupgedoe. Je wordt geen rijker en voller mens na het lezen van de binnenkant van mijn hoofd. Ik wilde dat ik iets écht kon bijdragen, maar al die wegen leiden blijkbaar naar ontgoocheling en uiteindelijk verbittering. En net dat kan mijn tere zieltje niet aan.
Ik voel mij hier niet thuis. Het sneltempo waarin deze net iets te existentiële momenten elkaar opvolgen, wordt echt lastig. Ik wilde dat ik harder was, meer nuchter en sterker. Anders. Dat mijn hart niet zo week was als een bananenpannenkoek en mijn hoofd niet zo open en vol was als een… ja, als wat eigenlijk?
Hoe kan het dat dit mij opnieuw zo raakt? Ik wil een stolp waar alleen nog licht door kan. Ik wil een zeef om de smurrie te kunnen filteren. Of een hand op mijn schouder die zachtjes knijpt en zegt: ik begrijp je. Helemaal.
Nog eens shit.

Bespaar mij alsjeblieft de trek-het-je-niet-aanretoriek of de vingerwijzende analyses. Het is wat het is en ik voel mij voor de zoveelste keer bescheten als een paal in een baai. Hier moet ik het mee doen. Hier moeten we het allemaal mee doen. En ik vind het niet plezant.

Mzuzu, 19 augustus 2016

Tenzij er ons nog helse avonturen te wachten staan die onmogelijk onverslagen kunnen blijven, wordt dit het allerlaatste nieuws dat ik vanuit Malawi op jullie afvuur. Het laatste bericht schreef ik in Kafukule. We waren toen nog alles gulzig aan het opslokken: nieuwe en oude indrukken. En we wisten dat er nog een etappe volgde.
Op dit moment zijn we alles mooi aan het afronden. Elke stap is een afscheid. Ik ben in de rouw. Hoewel ik er niet aan twijfel dat ik hier nog eens terug kom, maak ik foto’s in mijn hoofd. Een laatste keer zwaaien, nog een knuffel en één blik. Een laatste keer omkijken, heel bewust en heel intens. Tiwonanenge! Paweme!

DSC_1498

Nkhata Bay is altijd een noodzakelijke stop geweest. Een paradijs na een minimum aan luxe in Kafukule. Dit jaar stond ik het toe om mezelf wat meer te verwennen en ik boekte het mooiste huisje (nummer 14!) met de mooiste badkamer (een eigen wc!) en een buitendouche met zicht op Lake Malawi. Dit bezoek was in veel opzichten helemaal hetzelfde als andere edities: een duik in het meer, zwemmen en zonnen naar en op het ponton, een boekje lezen in de zon, een cocktail in Mayoka en een pizza in Kaya Papaya.
Maar deze keer kreeg Nkhata Bay voor mij een totaal nieuwe dimensie. Helemaal onverwacht kwam er een heel bijzondere persoon op onze weg. Smiley (oo jawel, dit is zijn échte naam) is voor mij de verpersoonlijking van ‘The warm heart of Africa’ waarmee Malawi zichzelf graag promoot. Als een landschap dat zich niet laat spiegelen op een foto is het een onmogelijke opdracht om Smiley te vangen in enkele woorden. Ik kan niet lyrisch genoeg zijn over deze kerel!
In Kaya Papaya kocht ik enkele juweeltjes voor Kwasa Kwasa die gepromoot werden door uitbater Steve met een foto en wat uitleg. De kleurrijke kettingen werden gemaakt door een vereniging van mensen met een beperking. Voor ons lijkt dit heel aannemelijk en gewoon, maar hier in Malawi had ik nog nooit gehoord van een groep zoals Steve deze mensen voorstelde: een soort zelfhulpgroep. Mensen met een fysieke of mentale beperking leven op de rand. Ze zijn meestal sociaal geïsoleerd en leven een erg hard en eenzaam bestaan. Ze tellen simpelweg niet mee. Op geen enkele manier. Ze worden overal uitgesloten en vaak zelfs verstoten. Een initiatief als dit is dus erg uniek in Malawi. Ik werd meteen gebombardeerd tot beste klant en Steve spoorde ons aan om eens een praatje te maken met de jongeman die het projectje opstartte.
Heel voorzichtig kwam hij zich voorstellen. Oorspronkelijk passeerden we naar ons gevoel de zoveelste shop waaruit iemand ons probeerde te lokken. Eerlijk gezegd waren we het getater en gezwans van de andere boys (zoals daar zijn Simple, Happy Coconut en Chicken Pizza) een beetje beu en ik draaide al onzichtbaar (of misschien toch een heel klein beetje zichtbaar) met mijn ogen. Ik probeerde de jongen dus eerst subtiel (of misschien toch een heel klein beetje onsubtiel) af te wimpelen. Maar terwijl we achterin zijn shop dicht bij de grond luisterden naar zijn verhaal groeide mijn verbazing, mijn verwondering, mijn bewondering en de onvermijdelijke genegenheid.
Smiley maakt juwelen en houtsnijwerkjes die hij langs de kant van de weg verkoopt aan toeristen. Echt heel stilletjes en zo bescheiden als het maar kan, vertelde hij hoe hij zag hoe sommige mensen keihard aan de kant geschoven werden omwille van hun fysieke of mentale beperking. Hij wilde helpen, maar knokt eigenlijk zelf keihard om te overleven. Financiële middelen heeft hij niet. Een tweede struikelblok was de muur van isolement en vooroordelen waartegen hij botste. Hij durfde als ‘gewone’ man deze mensen niet aan te spreken omdat hij bang was dat ze hem verkeerd zouden begrijpen. Veel te vaak wordt er met hen gespot of op hen gespuwd. Hij wilde deze mensen op geen enkele manier kwetsen of de indruk geven dat hij hen wilde uitlachen. Hij zocht toch voorzichtig contact met Benson, een man die omwille van zijn misvormde benen in een rolstoel zit. Hij duwt zichzelf voort door te fietsen met zijn handen. Aan zijn knieën zijn de zolen van twee slippers bevestigd zodat hij zich ook al schuivend kan verplaatsen. Smiley vroeg aan Benson om enkele mensen aan te spreken om hen zijn plannen uit te leggen en zijn goede bedoelingen duidelijk te maken. Dat lukte stap voor stap en vorig jaar in juli vond de eerste meeting van ‘Kalambwe Disability Forum’ plaats. Ondertussen telt de vereniging 63 leden (eigenlijk 65, straks meer hierover) en komen mensen van verschillende leeftijden met allerlei beperkingen twee keer per maand samen. Smiley leert hen om juwelen te maken en blijft verder stilletjes op de achtergrond. Hij begeleidt voorzichtig, maar is op zijn manier heel erg aanwezig. Het verdere initiatief en de stem komen van de groep zelf. Benson werd verkozen tot voorzitter en Mister Kaunda, een man die aan zijn linkerarm en -been grotendeels verlamd is, werd de schatbewaarder. Blinde, dove en verlamde mensen, albino’s, mensen met een mentale beperking, misvormde armen en benen enz. komen samen in deze zelfhulpgroep. Ze praten met elkaar en delen hun obstakels, problemen en overwinningen. Met de juweeltjes proberen ze wat geld te verzamelen, maar het allergrootste doel (en dat is nu net wat mij het meest heeft aangegrepen) is het zoeken naar een identiteit en de bevestiging van hun bestaansrecht. Dat mensen als Smiley hen erkennen als volwaardige personen, is heel bijzonder voor deze groep. Wellicht zal Smiley met zijn groep geen aardverschuiving veroorzaken in Malawi, maar het verschil dat zij voor elkaar maken is wel degelijk van levensbelang. Het idee van de kleine schaal en het druppel-op-een-hete-plaatdenken verschrompelt bij de betekenis voor deze mensen zelf.
Om een stem te krijgen in de groep wordt er gevraagd om jaarlijks 200 kwacha (25 eurocent) lidgeld te betalen. Dit geld wordt gebruikt om de leden die in nood zijn te ondersteunen bv. wanneer iemand naar het ziekenhuis moet.

DSC_1511

Kalambwe Disability Forum

Katelien en ik werden door Smiley uitgenodigd om een meeting bij te wonen. We luisterden naar de verhalen en dit kon alleen maar met een open mond en vooral een open hart. Ik was heel erg onder de indruk van ons bezoek aan het project in Rumphi en dit bezoek sloeg dezelfde gaten in mijn ziel en kneedde een krop in mijn keel. Ik was echt heel erg ontroerd. Met een liedje werd er ons in het chiTonga gevraagd of ook zij mochten meetellen als volwaardige mensen. Elk met hun eigen mogelijkheden en beperkingen zongen en klapten alle leden van de groep mee. Ze genoten van dit bijzondere bezoek, want het was de eerste keer dat ze gasten mochten ontvangen. Deze mensen kunnen niet eens half weten hoe waardevol dit voor ons was. Katelien en ik maakten ons op hun vraag lid (nummer 64 en 65!) en betaalden ons lidgeld meteen voor vijf jaar ver. Dit werd officieel gemaakt in het boekje van de voorzitter. Vanaf gisteren hebben Katelien en ik dus een officiële stem in het ‘Kalambwe Disability Forum’ in Nkhata Bay.
Smiley droomt ervan deze groep uit te breiden tot alle uithoeken van het Nkhata Bay district. Ik hoop dat hij daarin slaagt en ik hoop tegelijk dat het project zijn eigenheid blijft behouden vanuit de sterkte waarmee deze groep dit allemaal zélf draagt en organiseert, zonder dat dit door de overheid of welke instantie dan ook gedirigeerd wordt.

Ik ben nog niet half geslaagd in mijn opzet om op papier te zetten wat en wie we de voorbije dagen hebben mogen ontmoeten. Zoals ik al eerder zei, is het onmogelijk om te vangen wat dit met ons deed. Dit mag nu misschien wat melig klinken, maar vergelijk het met een postkaart van de Victoriawatervallen of Mount Mulanje. Het is nooit wat het echt is. Alles ontbreekt: de geuren, de kleuren, een frons in een gezicht, een lachje, een gebroken stem, een blije stem, een warm applaus, de vele knuffels en handdrukken met hele en halve handen van hele en eigenlijk anderhalve mensen. Misschien moeten jullie zelf eens komen kijken om dit kloppende hart in Malawi te voelen?